Samenvattingen

VakkenMaatschappijleerParlementaire democratie

Maatschappijleer

Parlementaire democratie

Hoofdstuk 1: Wat is politiek?

  • politiek is de manier waarop in een land beslissingen worden genomen, waarop de macht onder elkaar wordt verdeeld. Dit heeft te maken met keuzes maken, geld en algemeen belang (wat voor de meeste mensen in een land gewenst, nuttig of nodig is).
  • Nederland kent een parlementaire democratie. Wij kiezen mensen die voor ons het land besturen, de volksvertegenwoordigers / het parlement / de Eerste en Tweede Kamer / de Staten-Generaal.
    • dit wordt ook een indirecte of representatieve democratie genoemd.
    • kenmerken van parlementaire democratie zijn:
      • actief en passief kiesrecht (actief: jij mag stemmen, passief: er wordt op jou gestemd)
      • grondrechten (voorbeelden van grondrechten zijn vrijheid van meningsuiting, stemrecht, demonstreren, het oprichten van een partij, enz.)
      • vrije en geheime verkiezingen
      • geen censuur: via media krijgen mensen info om de juiste keuze te maken (niet door de overheid)
  • in een presidentiële democratie wordt, naast een parlement, ook een president gekozen door het volk. Wanneer deze president veel macht heeft, wordt het een presidentieel stelsel genoemd (zoals de V.S.).

Vergelijking parlementaire democratie (Nederland) met presidentieel stelsel (VS)

  • tegenover een democratie staat een dictatuur. Hierbij is alle macht in handen van één persoon (een autocratische dictatuur) of van een klein groepje mensen (een totalitaire dictatuur).
    • kenmerken van een dictatuur zijn:
      • geweld en onderdrukking
      • grondrechten voor mensen worden niet beschermd
      • er is sprake van censuur, propaganda en er is geen vrijheid van meningsuiting
      • militairen spelen een belangrijke rol
      • oppositiepartijen zijn niet toegestaan
      • schijnverkiezingen

Hoofdstuk 2: Politieke stromingen

  • om de politiek beter te begrijpen heeft men een indeling gemaakt. Deze bestaat uit drie indelingen:
    • politieke stromingen
    • progressief, conservatief, reactionair
    • politiek links en rechts
  • politieke stromingen zijn groepen mensen met ongeveer dezelfde opvattingen over hoe een land moet worden bestuurd. Het is een soort samenhang van ideeën over de mens en de gewenste inrichting van de samenleving. (ideologie)
    Ze houden zich bezig op drie gebieden:
    • normen en waarden
    • sociaal-economische verhoudingen
    • machtsverdeling
  • progressief heeft in de politiek de betekenis van: vooruitstrevend en vernieuwend (iets willen veranderen).
  • conservatief heeft in de politiek de betekenis van: behoudend (iets laten zoals het is).
  • reactionair heeft in de politiek de betekenis van: terugvallen naar vroeger (terug naar het verleden).
  • politiek rechts legt de nadruk op eigen verantwoordelijkheid en de vrijheid van mensen. De overheid moet zich passief opstellen, dus niet te veel bemoeien met de mensen en bedrijven. (VVD, PVV)
  • politiek links legt de nadruk op gelijkwaardigheid, dus gelijkheid tussen mensen. De overheid moet actief optreden om de zwakkeren te beschermen. (PvdA, GroenLinks, SP)
  • tegenwoordig kunnen linkse en rechtse ideeën ook door elkaar lopen. Het is dus niet strikt gescheiden. Er zijn een aantal middenpartijen met rechtse en linkse standpunten (CDA, ChristenUnie, D66).
  • vier politieke stromingen:
    • liberalisme (liberté = vrijheid)
      • ontstaan ten tijde van de Franse Revolutie (1789): de burgerij kwam in opstand tegen de almacht van de koning en adel, de rijken eisden inspraak in het bestuur.
      • persoonlijke en economische vrijheid staat centraal
      • liberalen streven naar een vrijemarkteconomie en eigen verantwoordelijkheid
      • de overheid heeft een passieve rol → zich er niet mee bemoeien (nachtwakersstaat)
      • beschermen van de rechtsstaat en democratie
      • partijen: VVD, PVV, rechts-conservatief, (reactionair)
    • socialisme
      • ontstaan in de 19e eeuw als reactie op de slechte leef- en werkomstandigheden. De rijken werden rijker en de armen werden armer, dus ongelijkheid en armoede moesten stoppen.
      • gelijkheid staat centraal
      • de overheid heeft een actieve rol → ze moeten de zwakkeren in de samenleving beschermen
      • streven naar eerlijke verdeling van kennis, macht en inkomen
      • verzorgingsstaat
      • partijen: PvdA, GroenLinks, SP, links-progressief
    • confessionalisme (confessie = geloofsovertuiging)
      • ontstaan aan het einde van de 19e eeuw: ook de katholieken en protestanten gaan zich organiseren en richten politieke partijen op.
      • politiek en persoonlijk geloof staat centraal
      • organische staatsopvatting: alle onderdelen van de samenleving zijn van elkaar afhankelijk en kunnen alleen in onderlinge samenhang functioneren.
      • uitgangspunten (waarden):
        • rentmeesterschap (zorgen voor de aarde)
        • solidariteit (naastenliefde)
        • harmonie (samenwerken)
        • gespreide verantwoordelijkheid (iedereen moet in de samenleving zorg dragen)
      • zorgzame samenleving
      • partijen: CDA, ChristenUnie, SGP, midden, (links/rechts)
    • populisme (niet echt een stroming)
      • de stem van het volk laten horen
      • opkomen voor burgers met ondergeschikte belangen
      • daadkrachtige oplossingen: simpele oplossingen op problemen die ook echt werken
      • passieve overheid
      • nationalistische standpunten (tegen immigratie, inmenging van het buitenland)
      • partijen: LPF, PVV

Hoofdstuk 3: Politieke partijen

  • actiegroep
    • komt op voor één (beperkt) belang
    • bestaat voor korte tijd
    • vrijwilligers
  • belangenorganisatie
    • komt op voor één (breed) belang
    • bestaat voor langere tijd
    • professionele organisatie, vaste dienst
    • geeft advies aan bestuurders
  • politieke partij
    • komt op voor alle belangen
    • gekozen via verkiezingen
    • bestuurt het land
  • one-issuepartijen: partijen die zich op één aspect van de samenleving richten (Partij van de Dieren).
  • protestpartijen: partijen die ontstaan uit onvrede met de huidige politiek (D66 in 1966).
  • functies van politieke partijen:
    • integratiefunctie: het verzamelen van opvattingen van veel mensen, en bundelen tot het politieke programma van de partij. Door dit programma kan de partij lange tijd bestaan.
    • informatiefunctie: informatie geven aan mensen over de standpunten die een partij heeft over bepaalde zaken.
    • participatiefunctie: burgers interesseren zelf deel te nemen in de politiek.
    • selectiefunctie: kiezen van mensen die kandidaat worden voor hun verkiezingslijst.
  • vroeger stemde je meestal altijd op dezelfde partij (wegens traditie, sociale afkomst, geloof, cultuur). De maatschappij veranderde echter sterk (geloof minder strikt, meer welvaart), waardoor ook het politieke landschap veel veranderde:
    • CDA raakte veel mensen kwijt door de daling van het aantal christenen.
      • probeert door zich als een middenpartij te karakteriseren nieuwe kiezers aan te trekken.
    • PvdA raakte ook veel mensen kwijt, doordat veel mensen het beter kregen, en de directe aanleiding om op de PvdA te stemmen verdwenen.
      • komt op voor verdrukten en kansarmen als jongeren, werklozen, chronisch zieken, allochtonen.
    • VVD had juist voordeel, door de individualisering van de samenleving en het grote aantal zelfstandige ondernemers.
  • zwevende kiezers laten de keuze van een partij afhangen van het moment en vooral ook van de persoonlijkheid van de partijleiders.
  • standpunten politieke partijen: blz. 98–99.

Hoofdstuk 4: Verkiezingen

  • actief kiesrecht: het recht om te stemmen (in Nederland vanaf 18 jaar en wanneer je een Nederlandse identiteit hebt).
  • passief kiesrecht: het recht om gekozen te worden
  • je kan stemmen op een gemeenteraad, Provinciale Staten, Tweede Kamer en het Europees Parlement.
  • kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging (Nederland):
    • kiesdeler = aantal stemmen uit heel Nederland / 150 (aantal zetels).
    • voor één zetel moet je het aantal stemmen van de kiesdeler behalen.
    • voordelen:
      • democratisch
      • ook kleine partijen kunnen in het parlement komen
      • ook de stem van de minderheden wordt gehoord
    • nadelen (op te lossen door een kiesdrempel):
      • door veel politieke partijen is er langzame besluitvorming
      • het is moeilijk om een regering te vormen
  • districten- of meerderheidsstelsel (VS, VK):
    • het land wordt verdeeld in districten (VS: staten).
    • per district komt één persoon in het parlement (de kandidaat die in het district de meeste stemmen haalt.)
    • voordeel: kiezers kennen de kandidaat vaak beter.
    • nadelen:
      • afgevaardigde denkt misschien te veel aan belangen eigen district
      • stemmen die op een verliezer worden uitgebracht gaan verloren
  • spindoctor: een communicatiedeskundige die de partij en de lijsttrekker adviseert over de verkiezingscampagne.
  • televisiedebatten hebben veel invloed op een verkiezingsresultaat.
  • dagelijks verschijnen opiniepeilingen, waar de verkiezingsresultaten voorspeld worden, en zelfs mogelijk beïnvloeden.
  • waar let je op tijdens het stemmen?
    • of standpunten overeenkomen
    • welke partij voor je belangen opkomt
      Dit kan je bepalen door naar een tv-debat of actualiteitenprogramma’s te kijken, of op internet stemwijzers of programma’s van partijen te bekijken. (tv- en internetdemocratie: de media heeft een belangrijke rol voor informatie)
    • ook stemmen mensen strategisch
    • sommige mensen stemmen vanwege de lijsttrekker (vertegenwoordiger van een partij)
    • voorkeursstem: een stem die uitgebracht is omdat de stemmer voorkeur heeft voor een bepaalde eigenschap van de persoon (zoals het geslacht, de woonplaats, etc.)
  • na de verkiezingen begint men met formatie:
    • men gaat kijken welke partijen kunnen samenwerken op bestuurlijk niveau (coalitie).
      • een informateur onderzoekt welke combinatie van partijen de meeste kans van slagen heeft, waarna deze partijen een regeerakkoord opstellen (de hoofdlijnen van het beleid voor de komende jaren).
      • de formateur (meestal de minister-president) zoekt naar geschikte ministers en staatssecretarissen (samen het kabinet).
  • het regeerakkoord wordt in de troonrede bijgesteld en aangevuld, en deze wordt elk jaar voorgelezen op Prinsjesdag.
  • op dezelfde dag wordt de miljoenennota door de minister van Financiën aangeboden, waarin de plannen concreet staan en wordt aangegeven hoeveel geld nodig is.
  • tijdens de Algemene Beschouwingen debatteert de Tweede Kamer over de plannen, en wordt er over alle voorstellen gestemd.
  • in de voorjaarsnota worden plannen mogelijk bijgesteld, en legt de regering verantwoording af over het beleid in de miljoenennota.
  • de val van een kabinet kan door twee oorzaken komen:
    • ministers worden het niet eens, en er wordt gezamenlijk besloten dat het niet verder gaat.
    • een meerderheid verwerpt het beleid en ministers willen het niet veranderen.
  • het is ook mogelijk dat één minister aftreedt en vervangen wordt, en het kabinet gewoon doorregeert.
  • wanneer het kabinet zijn ontslag aanbiedt, komen er vervroegde verkiezingen. Het huidige kabinet regeert nog door (demissionair kabinet), maar handelt alleen de lopende zaken af. Het is ook mogelijk dat een informateur een nieuw kabinet vormt zonder verkiezingen, maar dit komt niet vaak voor.

Hoofdstuk 5: Regering en parlement

  • kabinet: ministers en staatssecretarissen.
  • regering: staatshoofd en ministers.
    • staatshoofd heeft geen politieke macht.
    • ministers: dagelijks bestuurd.
    • dualisme: een duidelijke taakverdeling tussen regering en parlement.
    • komt door Trias Politica: scheiding der machten (voorkomt machtsmisbruik).
      • wetgevende macht (parlement)
      • uitvoerende macht (regering)
      • rechterlijke macht (onafhankelijke rechter)
      • in ons land wordt deze scheiding niet strikt doorgevoerd (voorbeeld: ministers hebben zowel een wetgevende als uitvoerende macht, en de wetgevende macht wordt met het parlement gedeeld).
  • parlement: Eerste en Tweede Kamer / volksvertegenwoordiging / Staten-Generaal
    • het parlement heeft twee hoofdtaken. Om deze twee taken goed uit te kunnen voeren, heeft het parlement rechten gekregen, die ze kunnen toepassen. Hieronder staan de taken, en de bijbehorende rechten.
      • medewetgevende taak
        • stemrecht (‘ja’ of ‘nee’, goed- of afkeuren)
        • recht van amendement (wetsvoorstel wijzigen)
        • recht van initiatief (wetten mogen indienen)
        • budgetrecht (de Tweede Kamer mag de begroting (waar het geld naartoe gaat) goedkeuren, afkeuren of wijzigen)
      • controlerende taak
        • recht van motie (de Tweede Kamer geeft aan dat ze het niet eens zijn met een minister, en eisen dat de minister iets verandert. Een ander middel is het motie van wantrouwen indienen, met als gevolg dat een minister opstapt.)
        • vraagrecht (vragen stellen aan ministers)
        • recht van interpellatie (aanvragen van een spoeddebat)
        • recht van enquête (het starten van een onderzoek)
  • poldermodel: iets inleveren om er iets anders voor terug te krijgen.
  • Eerste Kamer (het Senaat):
    • 75 leden
    • part-time baan
    • indirect gekozen (het volk kiest de leden van de Provinciale Staten, en deze de Eerste Kamerleden)
    • alle controlerende taken, stemrecht, budgetrecht
  • Tweede Kamer:
    • 150 leden
    • fulltime baan
    • direct gekozen door de burgers
    • alle controlerende en medewetgevende taken
  • van wetsvoorstel tot wet:
    • wetsvoorstel → Raad van State (advies) → Tweede Kamer (kan wijzigingen maken) → Eerste Kamer (aanvaardt/verwerpt wetsvoorstel) → ondertekening door koning(in) en minister → wet
    • uitzonderingen (waarbij de regering besluiten neemt zonder dat de Tweede en Eerste kamer zich erover uitspreken):
      • Koninklijke Besluiten, zoals bij de benoeming van een burgemeester.
      • Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), een besluit van de regering over specifieke regels binnen een al bestaande wet.

Hoofdstuk 6: Politiek in de praktijk

  • de Amerikaanse politicoloog Easton heeft het systeemmodel bedacht, om te begrijpen hoe een besluit wordt gevormd, die uit vier fasen bestaat, die hieronder beschreven staan, en daarbij de personen/instellingen (actoren) die een rol erbij spelen.
    • fase 1: invoerfase
      • de samenleving brengt eisen en wensen naar voren, via massamedia, partij- of verkiezingsprogramma en demonstraties. De poortwachters zijn de personen of instellingen die door hun positie bepalen of de eisen op de politieke agenda komen (pressiegroepen, massamedia, politieke partijen).
      • actoren: individuele burgers, actiegroepen, belangenorganisaties, politieke partijen, individuele politici, pressiegroepen (belangenorganisaties + actiegroepen)
    • fase 2: omzettingsfase
      • nadat een onderwerp op de politieke agenda is gezet, wordt het omgezet naar een beleid. Dit gebeurt in drie stappen, die hieronder beschreven staan.
      • agendavorming:
        • de politici zijn bereid om problemen uit de samenleving aan te pakken.
        • actoren: pressiegroepen, politieke partijen, parlement, regering, media, ambtenaren
      • beleidsvoorbereiding:
        • informatie wordt verzameld en geanalyseerd, en er worden adviezen gegeven over het te voeren beleid.
        • actoren: regering, ambtenaren, adviesorganen
      • beleidsbepaling:
        • de beslissingen over de inhoud van het te voeren beleid worden genomen, en wetten worden afgekondigd.
        • actoren: regering, parlement
    • fase 3: uitvoerfase
      • een nieuw besluit, dat ontstaan is uit de eisen en wensen van de samenleving, wordt uitgevoerd door ambtenaren, onder toezicht van ministers of staatssecretarissen.
      • actoren: regering, ambtenaren
    • fase 4: terugkoppelingsfase
      • reacties van de samenleving op politieke besluiten, waardoor politici kunnen controleren of het beleid ‘gelukt’ is, en het beleid zo nodig bijstellen.
      • dezelfde actoren als bij de invoerfase
  • politieke en maatschappelijke actoren: alle individuele burgers, groepen, bestuursorganen en instanties die betrokken zijn bij het politieke besluitvormingsproces.
  • beleid: de bewuste inzet van middelen om een beoogd doel te realiseren.
  • lobbyen: via persoonlijk contact proberen steun te krijgen voor je standpunten en belangen.
  • burgerinitiatief: een wetsvoorstel van een individuele burger, dat in de Tweede Kamer moet worden besproken (onder bepaalde voorwaarden).
  • belangrijkste adviseurs:
    • Raad van State: het belangrijkste adviescollege, voorgezeten door de koning(in). De leden worden door de regering gekozen, en zijn juristen en oud-politici.
    • Sociaal Economische Raad (SER): 33 leden, waarvan 11 uit werknemersorganisaties, 11 uit werkgeversorganisaties, en de overige 11 zijn onafhankelijke deskundigen, door de regering benoemd (‘Kroonleden’). Adviseert de regering over de hoofdlijnen van het sociaaleconomische beleid.
    • Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR): tussen 5 en 11 leden, die allemaal wetenschapper zijn, door de regering benoemd. Beschrijft toekomstige ontwikkelingen die belangrijk zijn om in de gaten te houden voor de lange termijn.
    • Centraal Plan Bureau (CPB): onderzoeksinstituut dat analyses maakt van het economische beleid van de regering. Onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken, maar functioneert ook als onafhankelijk adviesorgaan.
  • twee soorten pressiegroepen:
    • belangenorganisaties: komen op voor de belangen van een bepaalde groep. Voorbeelden zijn vakbonden en werkgeversorganisaties (de ‘sociale partners’, omdat de regering in overleg met deze organisaties haar beleid vormt), de ANWB, LAKS.
    • actieorganisaties: zetten zich in voor één bepaald thema/onderwerp. Voorbeelden zijn Amnesty International, Greenpeace.
  • omgevingsfactoren: factoren die niet direct onderdeel van het probleem vormen, maar wel de besluitvorming beïnvloeden.
    • demografische factoren (zoals de samenstelling van de bevolkingsopbouw)
    • ecologische factoren (de wisselwerking tussen mens en milieu)
    • culturele factoren (gevormd door geschiedenis van een land en waarden, normen en gewoonten die daarbij horen)
    • economische factoren (zoals de mate van economische groei, werkgelegenheid)
    • technologische factoren (zoals ontwikkelingen op het gebied van communicatie of medische technologie)
    • sociale factoren (zoals de verdeling in maatschappelijke klassen)
    • internationale factoren (zoals de uitbreiding van EU-wetten)

geschreven door Luuk Kempen, 2013–2014 | https://lkkmpn.nl/samenvattingen
gebaseerd op Thema’s maatschappijleer (2012)
Creative Commons License